Hoofdmenu

Inloggen

Log in om toegang te krijgen tot artikelen voor leden.






Diersoorten

Haas

Latijnse naam: Lepus europaeus
Grootte: 48-69 cm.
Gewicht: 2,5-5kg
Veldkenmerken: Kleur geelbruin, grijsbruin of okerkleurig, met witte onderzijde. Lange oren met zwarte punten. Ogen barnsteenkleurig.Staart zwarte bovenzijde, witte onderzijde. Lange poten.
Paartijd (rammeltijd): Gedurende het gehele jaar met een piek in het voorjaar.
Draagtijd: 6 weken, moer werpt +/- 3x per jaar 1-6 jongen, na 6-7 maanden geslachtsrijp. Worden in het open veld geboren met open ogen en behaard, ze zijn al “klaar”
Voedsel: Cultuurgewassen, boombast, knoppen en jong boomgewas, grassen en kruiden.
Leefomgeving (biotoop): Bijna alle soorten vlak land (voorkeur nabij cultuurgewassen).

Konijn

Latijnse naam: Oryctolagus cuniculus.
Grootte: 34-48 cm.
Gewicht: 1,5-2kg
Veldkenmerken: Rug bruinachtig geelgrijs, buikzijde wit. Korte, naar voren gebogen, oren. Staart lijkt geheel wit.
Paartijd (=rammeltijd): Januari tot september.
Draagtijd: 4 weken, 3-9 jongen (lampreien), 4-7 worpen per jaar, na +/- 7 maanden geslachtsrijp, worden in een hol geboren, kaal en blind.
Voedsel: Voornamelijk bladachtige plantdelen. Een enkele keer ook slakken of aardwormen.
Leefgebied (biotoop): Zandgrond, lichte kleigrond, loof- en naaldbos.

 

Ree

Latijnse naam: Capreolus capreolus.
Grootte: Schouderhoogte 65-75 cm, lichaamslengte 95-125 cm.
Gewicht: 14-25kg
Veldkenmerken: M (bok) een klein gewei, niervormige lichtgekleurde spiegel (=gebied rondom de staart). V(geit) hartvormig lichtgekleurde spiegel met ‘schortje’.
Beide ’s zomers roodbruin, ’s winters bruingrijs.
Paartijd (=bronsttijd): Eind juli, begin augustus.
Draagtijd: 40 weken (vertraagde inplantatie), 1-2 kalveren
Voedsel: Grassen, kruiden, heide, loof, bosvruchten en graan.
Leefgebied (biotoop): Bossen, venen, moerassen, duinen en grienden; ook in boomloze landbouwgebieden waar het zich kan terugtrekken in de dekking.

Wild zwijn

Latijnse naam: Sus scrofa.
Grootte: Schofthoogte tot 90 cm, lengte 110-180 cm.
Gewicht: Tot 150kg
Veldkenmerken: Licht- tot zwartachtig bruin. De mannetjes heten keiler, de vrouwtjes zeug of bagge.
Paartijd: November-januari.
Draagtijd: +/- 115 dagen (3 maanden, 3 weken en 3 dagen), 1-11 biggen.
Voedsel: Alleseter, wortels, bladgroen, bessen, noten, eikels, paddenstoelen, regenwormen, kleine zoogdieren, eieren, etc.
Leefgebied (biotoop): Bossen met onderbegroeiing, velden, bebouwde akkers.

Vos

Latijnse naam: Vulpes vulpes.
Grootte: Romplengte 60-80, staartlengte 30-50 cm, schouderhoogte 38 cm.
Gewicht: Tot 10-12kg
Veldkenmerken: Roodbruin van boven. Buik, keel en staartpunt wit. Spitse kop met masker. Mannetjes heten rekel, de vrouwtjes moer.
Paartijd (rans- of roltijd): Januari-februari.
Draagtijd: 51-54 dagen, 3-7 jongen, jongen na +/- 1 jaar geslachtsrijp.
Voedsel: Muizen, konijnen, insecten en aas, vogels, reekalveren en niet dierlijk voedsel zoals bessen, etc.
Leefgebied (biotoop): Overwegend droog terrein, in of in de nabijheid van bossen, struikgewas of andere hoge dekking.


Verwilderde kat

Latijnse naam: Felis  sylvestris catus, de normale huiskat heet felis catus
Grootte: Lichaamslengte ca. 35 cm, schouderhoogte ca. 20 cm.
Gewicht: Tot 8-10 kg
Veldkenmerken: Als een huiskat.
Paartijd (roltijd): Half februari-eind maart.
Draagtijd: 55 dagen, 5-6 jongen.
Voedsel: Voornamelijk muizen, maar ook in het veld levende kleine dieren
Leefgebied (biotoop): Alle soorten terrein. Elke kat verder dan 200 meter van een bewoond huis is volgend de wet verwilderd.

Houtduif

Latijnse naam: Columba palumbus.
Grootte: 41 cm.
Veldkenmerken: Blauwgrijze rug, kop, nek en staart, staartpunt is zwart. Borst lichtrose, witte vleugelband en witte halsvlek.
Broedtijd: Februari-november (met piek in mei), 15-17 dagen, 2 eieren, jongen na 18-22 dagen vliegvlug.
Voedsel: Granen, peulvruchten, eikels, beukenootjes, kool, klaver, vogelmuur, slakjes, maden en poppen.
Broedgebied: Heel Europa, behalve Noord-Scandinavië, in bomen en struiken.

Kauw

Latijnse naam: Corvus monedula.
Grootte: 33 cm.
Veldkenmerken: Zwart met grijze vlek in de nek in oorstreek, zeer lichtgrijze ogen.
Broedtijd: April-mei, 18 dagen, 3-6 eieren, jongen na 30 dagen vliegvlug.
Voedsel: Insecten, larven, graan, peulvruchten en onkruidzaden. Soms kleine dieren, eieren en jonge vogels.
Leefgebied (biotoop): In steden, dorpen en bij boerderijen.
Broedgebied: Midden- en Zuid-Europa.

Patrijs

Latijnse naam: Perdix perdix.
Grootte: 30cm.
Veldkenmerken: Licht kastanjebruine kop, lichte gespikkelde borst met daarop vaak een donkere  kastansjebruine vlek. Rug en staart bruin tot roestrood. Weinig verschil tussen mannetje en vrouwtje.
Broedtijd: April-mei, 24-25 dagen, 8-12 eieren, jongen na 2 weken vliegvlug.
Voedsel: Jongen eten gedurende hun eerste periode insecten. Daarna voornamelijk plantaardig zoals zaden, bietenkoppen, groene scheuten van gras, klaver, etc.
Leefgebied (biotoop): Cultuurgebieden met akkers, ook wel in duinen en heiden.
Broedgebied: Heggen, wallen en andere ruige begroeiing.

Zwarte kraai

Latijnse naam: Corvus corone corone.
Grootte: 47 cm.
Gewicht: Tot 550 gram
Veldkenmerken: Zwarte vogel.
Broedtijd: April-mei, 19 dagen, 4-5 eieren, jongen na 30-35 dagen vliegvlug.
Voedsel: Zeer gevarieerd zoals graan, insecten vruchten, zaden, soms kleine zoogdieren. Ook eieren, jonge vogels en jong kleinwild, vooral in de tijd dat de eigen jongen worden gevoerd.
Leefgebied (biotoop): Open land zoals polders met hier en daar een boom, grasland.
Ook in bosgebied, langs de kust en in de omgeving van steden.
Broedgebied: In bomen of op rotsrichels.

Wilde eend

Latijnse naam: Anas platyrhynchos.
Grootte: 58 cm.
Gewicht: Tot 1500 gram
Veldkenmerken: M (=woerd) = glanzende groene kop met smalle witte halsband, bruine borst, lichtgrijze onderzijde, witte staart met gekrulde zwarte veren, snavel geelachtig V (=eendje) = bruingevlekt, beide paars-blauwe spiegel.
Broedtijd: Februari-mei, 28 dagen, 8-15 eieren, jongen na 7 weken vliegvlug.
Voedsel: Slakken, visjes, insecten, waterplanten, gras, aardappelen, peulvruchten en granen.
Leefgebied (biotoop): Overal waar voldoende water is.
Broedgebied: Geheel Europa.

Smient

Latijnse naam : Anas penelope.
Grootte : 46 cm.
Veldkenmerken : M  (woerd) = kastanjebruine kop met bruingele kruin, grijs lichaam,
witte buik, rose borst V (eendje)= bruin, kleiner, korte snavel, ronde kop en puntige staart  als opvallende verschillen met wilde eend (V).
Broedtijd : Mei, 22-23 dagen, 9 eieren, jongen na 40 dagen vliegvlug.
Voedsel : Grassen, graan en zeegras.
Leefgebied (biotoop) : ’s Winters in de kuststreken langs binnenwateren en op ondergelopen weiden.
Broedgebied : In Europa in Scandinavië en Schotland. Voor Nederland wintergast.

Grauwe gans

Latijnse naam: Anser anser.
Grootte: 76-89 cm.
Veldkenmerken: Bruingrijs gestreepte rug, lichtgrijze voorvleugel, lichte kop en hals, oranje snavel en roze poten.
Broedtijd: April-mei, 28 dagen, 4-6 eieren, jongen ca. 8 weken vliegvlug.
Voedsel: Gras, graan, bietenkoppen en peulvruchten, maar ook riet, biezen, lisdotten en rietgras.
Leefgebied (biotoop): ’s Winters op stoppelvelden en weilanden in de omgeving van voedselrijk, ruim open water.
Broedgebied: De broedgebieden liggen vooral op de toendra’s van Noord-Rusland en strekken zich uit tot ver in Siberië. Er is een groeiend aantal broedende ganzen  in Nederland te vinden.

Brandgans

Latijnse naam: Branta leucopsis.
Grootte: 58-69 cm.
Veldkenmerken: Zwartwitte rug, grijswitte buik, zwarte hals, wit gezicht.
Broedtijd: Mei-juni, ca. 25 dagen, 4-6 eieren, jongen na 7 weken vliegvlug.
Voedsel: ’s Winters gras, wintergraan en kleine aardappelen.
Leefgebied (biotoop): ’s Winters aan de kust, op schorren en weilanden.
Broedgebied: Groenland, Spitsbergen en Nova Zembla (deze overwinteren in Nederland).

Roek

Latijnse naam: Corvus frugilegus.
Grootte: 46 cm.
Veldkenmerken: Zwart met purper en aan de kop een blauwe metaalachtige glans. Kale witte plek bij de mondhoek en een duidelijke afhangende broek (veren aan de bovenkant van de poten).
Broedtijd: Maart-april, 18 dagen, 3-6 eieren.
Voedsel: Zeer gevarieerd zoals zaden, bessen, miljoenpoten, regenwormen, emelten, slakken en soms aas en schaaldieren.
Leefgebied (biotoop): In grote kolonies in agrarische streken, parken, gebouwen en soms steden.
Broedgebied: Meestal in bomen.

Ekster

Latijnse naam: Pica pica.
Grootte: 46 cm (incl. 16-20 cm staart).
Veldkenmerken: Zwart-wit getekend, op de vleugels blauwgroene glans.
Broedtijd: April-mei, 21 dagen, 4-7 jongen, jongen na 27 dagen vliegvlug.
Voedsel: Insecten, vruchten, zaden, eieren, jonge vogels, kleine zoogdieren en aas.
Leefgebied (biotoop): Open landschappen met wat boom- en struikgroepen.
Broedgebied: Geheel Europa.

Fazant

Latijnse naam: Phasianus colchicus.
Grootte: M (haan)= 83 cm, V (hen)= 58 cm
Veldkenmerken: M = lange staart, glanzend verenkleed met groene of blauwe kop, grote kale ronde plekken rond de ogen, V = kortere staart als de haan, bruin gevlekt.
Broedtijd: April-juni, 24-26 dagen, 6-16 eieren, jongen na 12-14 dagen vliegvlug. Jongen eten gedurende hun eerste periode insecten. Daarna voornamelijk plantaardig voedsel zoals zaden, bietenkoppen, groene scheuten van gras, klaver, etc.
Voedsel: Plantaardig en dierlijk voedsel zoals zaden, eikels, knollen, bessen, wortels, bladluizen, etc.
Leefgebied (biotoop): Heggen, wallen en begroeide slootkanten, duin- en bosgebieden.
Broedgebied: Plaatsen met dichte begroeiing, zoals hoog gras.

Nijlgans

Latijnse naam: Alopochen aegyptiaca.
Grootte: 63-73 cm.
Veldkenmerken: Nijlganzen hebben een bruingrijs verenkleed. Rond het oog hebben ze een chocoladebruine vlek. De snavel is deels zwart, deels roze.
Broedtijd: De meeste ganzen broeden in het voorjaar, ook kan men in de herfst en zelfs midden in de winter nijlganzen met jongen aantreffen.
Voedsel: Zaden, bladeren, grassen en stengels. Af en toe eet dit dier sprinkhanen, wormen en andere kleine dieren. 
Leefgebied (biotoop): Voornamelijk op land, hoewel het goed kan zwemmen.
Broedgebied: Van oorsprong alleen in Afrika. Hier worden ze ook nu nog aangetroffen op het hele continent ten zuiden van de Sahara. Ze broeden daar als de situatie gunstig is. Dit is vooral in de regentijd. In Europa is de soort tegenwoordig op veel plaatsen broedvogel.

Canadese gans

Latijnse naam: Branta canadensis.
Grootte: 90-105 cm.
Veldkenmerken: Lange nek, zwarte kop en hals met witte keelvlek tot op de wangen,
lichaam en vleugels bruin, witachtige borst.
Leefgebied (biotoop): Meren en vijvers, grenzend aan grasvelden, weiden en moerassen.
Broedgebied: Groot-Brittannië, Ierland, Noorwegen, Zweden en Finland.

Meerkoet

Latijnse naam: Fulica atra.
Grootte: 38 cm.
Veldkenmerken: Ronde zwarte vogel met een witte bies boven de snavel, gelobde tenen.
Broedtijd: Maart-mei, 2 weken, ca. 5 eieren, jongen verlaten na 2-3 dagen het nest.
Leefgebied (biotoop): Sloten, plassen, meren en rivieren.
Broedgebied: Heel Europa, behalve het noorden van Scandinavië.

 

 

 

Nieuws

Hubertusviering 2019
05 november 2019, 13.30
Hubertusviering 2017
02 november 2017, 11.01
Schoonmaakdag 2017
08 maart 2017, 08.51